Jacob van Lennep ontmoet oudburgemeester Nentjes en zijn neef, dominee Nentjes, op Urk.Uit het dagboek van Jacob van Lennep, 1823.
Woensdag 4 Juny.
De klok van 5 ure vond ons reeds aangekleed en reisvaardig. Met heerlijk weder en gunstigen wind plaatsten wij ons te zes ure in eene daartoe afgehuurde visschersschuit, welke wij voor tien gulden genomen hadden en die geheel ter onzer beschikking stond. In den haven zijnde joeg ons de Schipper in 't vooronder, waar het geweldig stootte, doch spoedig de haven uit zijnde plaatsten wij ons bij den Schipper, een gullen grijzaart van zeventig jaren. Ik teekende hem in mijn zakboek uit; toen ik dit gedaan had, vroeg hij mij 'of ik nu klaar was.' - Ja, zeide ik, hoedat? - 'Wel hervatte hij, als ik te Amsterdam an de kraem kom, dan zie ik main en main waif en men knecht in de printewinkel. Ik heb et wel emerkt. Nou jai mag het wel doen, jai bent vast een teikenaar.' - Intusschen werd mijn reisgenoot zeeziek, 't geen echter zeer ras bedaarde. Te negen ure kregen wij Urk in 't gezicht, dat zich bevallig uit de zee opdoet, wegens deszelfs hoogte, kerk, en groenen oever. Daar de haven te droog was, konden wij niet binnenloopen, maar seinden om een boot. Gelukkig waren de Urkenaars, die in menigte aan het strand gekomen waren, in den waan dat wij de inspecteurs der zeeweeringen waren, en zond men ons eene visschersschuit toe, die ons met ongelooflijk veel moeite naderde, innam en aan wal bracht. De visschers, ons ziende, vonden zich te leur gesteld en dropen af. Wij traden het dorp in dat niet onaartig is om te zien. Een oude visscher naderde ons, terwijl wij bij eene put van zoet water stonden, en verhaalde ons dat zijne eigene put veel dieper was, doch minder water gaf omdat zij zooveel lager op het eiland was: een ogenblik daarna verzocht hij ons op een kop koffi: zeer bevreemd over zijne gulheid, volgden wij hem en traden in eene onaanzienlijke wooning. Na twee ruime beestenstallen doorwandeld te hebben, kwamen wij in een goed en ruim vertrek en vervolgens in een tweede, waar de nichten van den grijzaart, twee groote schoone vrouwen met hare kinderen zaten. Nu volgden wij hem in het derde vertrek, waar de fraaiste porceleinen schotels in de rondte stonden en het koper ons van alle kanten tegenblonk: doch het vierde overtrof al de vorige schoon groote boerenvertrekken. Lekkere koffi en heerlijke beschuiten met roggenbrood en kaas werden ons voorgezet. - Dan wie was die grijzaart zoo kloek en rank van gestalte, zoo edel van gelaat, zoo schoon door zijne zilveren lokken? Neem Uw' hoed af, lezer! Het was de bijna tachtigjarige oudburgemeester van het eiland die veertig jaren lang dien post waargenomen had en eerst het vorige jaar voor denzelven bedankt om zijne hooge jaren. Nu herinnerde zich Van Hogendorp hem bij zijn' vader gezien te hebben, naar wien de man ook vroeg, even als naar de HH Elias, Van Boetselaer en anderen. Veel en zeer verstandig sprak de man met ons, vooral over het misbruik dat de aannemers van de goedwilligheid van Z. M. jegens het eiland maakten. Toen bracht hij ons naar zijn' neef den predikant, dien hij op zijne kosten had laten studeeren te Utrecht, en die hem f 8000 gekost had. Deze jongeling had den vorigen winter zijne vrouw verloren, 't welk al de Urkenaars bedroefd had, omdat zij, eene uitheemsche, en zelfs eene Amsterdamsche zoo goed zich op het eiland gewend had, dat zij haar' man voor twee beroepen had laten bedanken en aan Professor Heringa verklaard had liever op Urk dan te Amsterdam te willen woonen. Om de kosten van reparatie voor de pastorie goed te maken had de Koning drie jaren geleden f 2300 gegeven, welke de aannemers zoo wel gebruikt hadden, dat het in al de kamers lekte en rookte: zoodat de muren doorregend en de schoorstenen gebarsten waren. Anders was het een net gebouw, dat wij geheel bezagen, en waar vele fraaie meubelen stonden, als chiffonières, bureaux, fraaie servicen en theegoed. - De Predikant toonde ons de Kerk die op den bovensten spits der rots gebouwd, zeer net en ruim is en die trouw door de inwooners bezocht wordt. Van den toren heeft men een fraai zeegezicht op de Friesche kust. De Urkenaars zijn zulke liefhebbers van hun huizen te laten zien dat de Predikant, die ons zijn geheel huis tot de vliering en het varkenshok getoond had, nu zelfs in de goten van de kerk klom dat wij niets missen zouden. -
Achter de kerk is de grond een bruine brokkelachtige rots. De zeeweering aldaar (weder aangenomen werk) is in twee jaren bedorven, terwijl de oude weering reeds sints veertig jaren zeer goed blijft bestaan. Na een glas bitter en Vriesche koek bij den Predikant gebruikt te hebben, gingen wij de school zien, welke mede bedorven is door de aannemers en waar tachtig kinderen het onderwijs genoten, waarvan zij, vooral 's winters als er geen vischvangst is, zeer goed gebruik maken. Elk inwoner heeft eene koe en een kalf, 't welk veroorzaakt dat er te veel runddieren naar de grootte van het eiland zijn. Nadat de oude man ons des chirurgyns, des zeilenmakers en andere wooningen getoond had, verliet hij ons, waarop wij het lager en onbebouwd gedeelte van het eiland doorliepen en er vele gewassen vonden welke de zeeduinen opleveren, onder anderen de harde distels die bij Zandvoort groeien. Op een smalle landtong zaten honderden van zeehonden zich in de zon te bakeren. Aan de andere zijde van het eiland gekomen vonden wij een roeischuitje dat ons aan het schip bracht waar wij karbenaden aten en wijn dronken. Van verre Schokland en den toren van Kampen gezien hebbende kwamen wij te vier ure aan de Lemmer aan, waar wij in de herberg de Wildeman onzen intrek namen.
Bron: http://www.negentiende-eeuw.nl/teksten/lennep
© Copyright: John N's Web. Webmaster, webdesign en auteur: Drs Jan Nentjes.